Hoor je mij?

Wat als je moet leven in twee werelden? Alleen al de cover van het boek ‘Hoor je mij?’ spreekt mij enorm aan. Met het gebarentaalalfabet is meteen duidelijk waar het boek over gaat. De samenwerking tussen Caja Cazemier en Martine Letterie is wederom grandioos. Na ‘Familiegeheim’ en ‘Made by indira’ kunnen ze dit boek met een belangrijke boodschap ook afvinken.

Sterre

Het doek valt. Sterre blaast de spanning die ze de hele voorstelling heeft vastgehouden uit. In de zaal barst het applaus los: sommigen klappen, er zijn ook mensen die wapperen met hun in de lucht gestoken handen.

‘Hoor je mij’ speelt zich af in twee verschillende tijden. Sterre vindt het spannend om naar de brugklas te gaan. Ze is doof, maar wil absoluut geen tolk mee naar school. Tot haar vriendin geen zin meer heeft om haar te helpen. Dan blijkt het toch moeilijk en zwaar te zijn om als doof meisje in een horende wereld te functioneren. Sterre is in gevecht met zichzelf en weet niet goed in welke wereld ze nou het best past: de dove of de horende wereld?

Freek

Freek kijkt naar de bewegende mond van juf De Groot, maar hij laat niet tot zich doordringen wat ze zegt. Haar gezicht is zo scherp als een mes en Freek weet zeker dat haar stem ook zo klinkt, al heeft hij haar nog nooit gehoord.

Freek zit in de jaren ’50 op een internaat voor dove kinderen. Gebarentaal is hier verboden, dove kinderen moeten leren spreken. In ‘Hoor je mij’ wordt op een mooie duidelijke manier beschreven wat het voor een jongen betekent om niet te mogen gebaren in een wereld waarin hij niks hoort.

Een goed advies

Opa Freek knikt ernstig. Heel even legt hij zijn handen tegen haar wangen, veegt een ontsnapte traan weg, en gebaart: ‘Ik snap het, maar je moet voor jezélf opkomen! Je moet er zélf iets van maken! en dat kun je wel.’

Caja Cazemier en Martine Letterie weten de verhalen van Sterre en Freek mooi in elkaar te vlechten. Allebei de tieners zoeken op hun eigen manier een plek in de wereld, een ingewikkelde wereld als je niet alles meekrijgt zoals veel anderen het doen. Een grote vraag die ik door het boek voel lopen is: waar moet je je voor schamen en waar mag je trots op zijn? Gelukkig vinden Freek en Sterre hun weg wel, al is het misschien niet op de manier hoe ze het gehoopt en gedacht hadden.

Mooi en belangrijk

Mila’s moeder wijst naar de ronde eettafel en met een vraagteken op haar gezicht maakt ze de handgebaren voor limonade, koffie, thee. ‘Koffie,’ zegt Sterres vader, terwijl zijn vuisten doen of ze koffie fijnmalen. ‘Thee.’ Sterre maakt alleen het gebaar alsof ze een theezakje in een glas laat zakken.

Tijdens mijn opleiding Nederlandse Gebarentaal leerde ik verschillende dove mensen kennen. De “oudere” generatie sprak met me. Ze konden heel goed liplezen en waren goed te verstaan. De jongere generatie sprak gebarentaal. Voor mij als horende was dit natuurlijk veel lastiger, maar ook interessant. De “dovencultuur” komt in ‘Hoor je mij’ aan bod, want moet er eigenlijk een dovencultuur bestaan? Moeten dove mensen gemakkelijk kunnen mengen met horende mensen? Of moeten horende mensen wat beter hun best doen om zich in te leven in de wereld van de dove mensen? Of maakt het misschien niet uit en moet iedereen lekker doen waar hij/zij zich prettig bij voelt? Ik ga voor het laatste. Hoe dan ook, dit jeugdboek leest heel prettig weg en laat een kleine geschiedenis en toekomst zien van mensen die het liefst praten met hun handen.

Meer boeken over kinderen die in twee werelden leven: