Nostalgie in Het malle ding van bobbistiek

Met enige regelmaat worden gouwe ouwe kinderboeken opnieuw uitgegeven. Zo waren er heruitgaven van de boeken van Tonke Dragt en begin dit jaar werd Het malle ding van bobbistiek van Leonie Kooiker opnieuw uitgebracht. Het boek verscheen zo’n 50 jaar geleden en werd destijds bekroond met de Gouden Griffel. Ik was wel benieuwd hoe deze ‘throwback’ naar mijn jeugdjaren uit zou pakken. Heeft het boek dezelfde magie als toen? De omslag met de illustraties van Carl Hollander beloven alvast een flinke portie nostalgie.

En we noemen het bobbistiek

Het verhaal gaat over Bobbie en zijn broer Albert. Twee avontuurlijke jongens die niks liever doen dan buiten spelen en dingen bouwen in de schuur. Ze repareren en sleutelen aan van alles. Vooral Bobbie is een uitvinder-in-de-dop en brouwt graag toverdrankjes. Op een dag wil hij een verdwijnpasta maken, maar dat pakt een beetje anders uit. Hij gaat aan de slag met zeep, klei, de inhoud van een verboden bruine fles uit de kast van zijn vader en hij voegt er de nodige toverspreuken aan toe. Het resultaat is geen verdwijnpasta, maar een vreemd rubberachtig goedje dat uiteindelijk keihard wordt. Bobbie noemt het goedje bobbistiek. De broertjes knutselen er een ei-vormig voertuig van waarmee ze uiteindelijk zelfs kunnen vliegen. Het malle ding van bobbistiek brengt hen naar nieuwe en spannende plekken.

Klassieke verhaalelementen

Het boek bevat een aantal klassieke kinderboekelementen. De hoofdpersonen doen spannende uitvindingen, bouwen hun eigen vliegtuig en kunnen er ook echt mee vliegen, ze trekken erop uit en beleven avonturen en ontmoeten vreemde personen. En natuurlijk spelen ook de bemoeizuchtige volwassenen een rol in het verhaal. Zij dreigen de pret te bederven door dingen te verbieden (“ik mag ook nooit wat!”) en alles gevaarlijk te vinden ( “als het heel erg vreselijk leukt is en maar een klein tikkeltje gevaarlijk, zeggen ze al nee”).

Kleinschalig

Wat mij bij het lezen opviel was de eenvoud van het verhaal. Alle avonturen die Bobbie en zijn broer beleven, spelen zich af in de directe nabijheid van het huis van de jongens. Een iets verderop gelegen plek met hoge bomen biedt al voldoende avontuur en de broertjes kunnen zich uren vermaken met buitenspelen, knutselen, dingen maken of lezen. Ze beschikken allebei over een grenzeloze fantasie en barsten van de ideeën. En daarmee is het een boek dat de tijdgeest van 50 jaar geleden weerspiegelt.

Fantasierijke kids

Tegenwoordig is de belevingswereld van kinderen door tv en spelcomputers behoorlijk veranderd. En dat zie je ook in de meeste kinderboeken terug. Daar vind je magische toverwerelden, exotische avonturen en het tempo ligt ook veel hoger. Het is interessant om te zien of de huidige generatie kinderen zich ook kan herkennen in de kleinschalige avonturen van Bobbie en Albert. Het mag dan allemaal wat minder dynamiek hebben, ik verwacht dat dit boek toch veel van hen zal aanspreken. Want welk kind is er niet ooit eens in de weer geweest met het brouwen van toverdrankjes, het bouwen van hutten en de wens om met je eigen vliegtuig de buurt te verkennen? In het voorwoord zegt kinderboekenrecensent Pjotr van Lenteren hierover: “Voor avontuur hoef je de grens niet over, je vindt het aan het eind van de straat.”

Voor kinderen van toen en nu

Voor zowel kinderen van nu als hun ouders en grootouders heeft dit boek dus iets te bieden. Het laat je (weer) kennismaken met hoe het is om als kind de wereld om je heen te ontdekken, je fantasie te volgen en spannende avonturen te beleven. Voor lezers van 8 tot 10 jaar.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.