Interview Sarah Morton

Wie regelmatig Boekrecensiesblog bezoekt kent Sarah Morton inmiddels goed. Ze is schrijft niet alleen gastrecensies voor Boekrecensiesblog maar is zelf schrijfster van boeken over autisme en opvoeding.
Zie hier haar boeken én een hartverwarmend interview met een vrouw die heeft geleerd te roeien met de riemen die ze heeft én ook nog eens een hele lading mensen hiermee te helpen. Daarnaast geeft ze ook lezingen en houdt ze een eigen blog bij op haar website.
1. Je schrijft dat de diagnose aanvankelijk houvast gaf, maar later ook een stempel werd. Wanneer besefte je voor het eerst dat die diagnose je soms méér beperkte dan hielp?
Toen ik de diagnose kreeg, was ik nog maar zes jaar. Ik dacht toen helemaal niet na over wat een diagnose betekende. Pas veel later ben ik gaan begrijpen welke invloed dat label had.
Toen ik voor het eerst hoorde dat ik autisme had, ik was bijna twaalf, klonk het hoopvol. Ik zou naar een school gaan met kinderen die ook anders zijn en me daarom niet zouden pesten om wie ik ben. Het zouden vast aardige kinderen zijn.
Aanvankelijk was ik meer op mijn plaats. Ik sloot al snel vriendschappen en genoot van de humor van klasgenoten. Maar veel leerkrachten waren autoritair en keken vooral naar wat je niet kon of wat je zou moeten kunnen.
2. Een terugkerend thema in het boek is dat volwassenen vooral probeerden je aan te passen aan het systeem. Hoe zou onderwijs eruitzien als het systeem zich juist aan kinderen zou aanpassen?
Dan zouden we zien hoe zelfsturend kinderen kunnen zijn. Dat betekent niet dat ze alleen maar hoeven te doen wat ze leuk vinden
Wel kijken waarom een kind doet zoals het doet en op welke manier het leert.
Laat het kind op zijn eigen tempo leren.
Zeker autistische kinderen zijn makkelijker te motiveren als je werkt met hun speciale interesses.
Op mijn speciale school waren veel leerkrachten van mening dat je juist niet moet meegaan in mijn belevingswereld, anders zou je maar ongewenst en afwijkend gedrag versterken en belonen.
Maar de interesses van kinderen indammen snijdt de wortels af en daarmee doe je te motivatie teniet.
Ik kon op zich goed leren en werkte gemotiveerd aan mijn taken, totdat ik het handelingsplan onder ogen zag. Onder andere werken met kinderen zou niet geschikt voor me zijn.
Dat zij over mijn toekomst konden beslissen, maakte me zo bang dat ik me ook niet meer op mijn schoolwerk kon concentreren.
Zelfstandig reizen zou ook niet haalbaar zijn.
Een invaljuf zag me al meer zoals ik was. Zij leende me een paar keer boeken over hoe je omgaat met kinderen in de klas. Ik verslond ze en ze gaven me ook daadwerkelijk inzichten.
Ze leek met dit gebaar ook te zeggen dat ze het handelingsplan niet onderschreef.
3. Je beschrijft heel gedetailleerd hoe jij situaties beleefde, terwijl volwassenen daar vaak een heel andere interpretatie aan gaven. Wat zegt dat volgens jou over hoe we als samenleving naar autisme kijken?
Ik kan natuurlijk alleen voor mezelf spreken en niet namens alle autistische mensen. Juist daarom vind ik het slogan ‘niets over ons, zonder ons’ zo belangrijk. Als je wilt begrijpen waarom iemand iets doet, moet zijn of haar eigen beleving onderdeel zijn van dat verhaal.
In een reportage van Autisme Centraal werd bijvoorbeeld beschreven dat ik tijdens de les ‘zomaar’ door de klas riep dat ik geen pen had. Daaruit werd meteen geconcludeerd dat het klassengebeuren langs mij heen ging. Maar voor mij was het helemaal niet zomaar. Ik had taken die af moesten en zonder pen kon ik niet verder werken. Ik zat met een probleem en probeerde dat op te lossen. Ik was zes jaar!
Ook kan ik me niet vinden in het beeld dat de omgeving langs mij heen ging. In mijn herinnering was ik op mijn hoede voor wat er om mij heen gebeurde. Ik moest rekening houden met een juf die plotseling boos kon worden. Zo stond ze tegen me te brullen toen ik alvast verder werkte aan een opdracht die pas voor de volgende les bedoeld was. Daarnaast zat er een grote jongen in de klas die mij pijn deed of liet struikelen wanneer hij de kans kreeg. Ik moest mijn omgeving juist voortdurend in de gaten houden.
Dat vind ik achteraf veelzeggend. Het gedrag dat volwassenen zagen, was niet per se verzonnen: ik héb geroepen dat ik geen pen had. Maar de betekenis die eraan werd gegeven klopte niet met mijn werkelijkheid. En zodra een conclusie door een deskundige wordt opgeschreven, krijgt die gemakkelijk meer gewicht dan het verhaal van het kind zelf.
Een ander voorbeeld was mijn handelingsplan. Daarin stonden niet alleen doelen voor dat schooljaar, maar ook verregaande uitspraken over mij als persoon. Zo zou ik een ‘schijn-empathisch vermogen’ hebben, me te veel aan mensen hechten en zou werken met kinderen niet geschikt voor mij zijn.
Vooral dat laatste maakte me ontzettend bang. Ik wist niet dat zo’n handelingsplan alleen voor dat schooljaar gold en niemand legde mij uit hoeveel invloed zo’n document werkelijk op mijn toekomst had. Terwijl ik daar wel mensen om raad over vroeg. Voor mij voelde het alsof een volwassene op papier kon bepalen wat ik later wel en niet zou kunnen worden.
Als je een kind een plan over zijn eigen ontwikkeling laat lezen, moet je daarom niet alleen vertellen wat erin staat, maar ook wat zo’n plan wel en niet kan bepalen.
Wat ik daarnaast miste, was echte inspraak. Er werd veel over mij geschreven, maar veel minder mét mij onderzocht wat mij zou helpen. Kinderen kunnen daar zelf verrassend heldere ideeën over hebben. Een leerling kan bijvoorbeeld aangeven dat hij op een andere plek in de klas rustiger kan werken.
Juist daarom zijn de ‘kleine’ gebaren van een invaljuf me bijgebleven. Ze leende me boeken uit haar eigen opleiding en liet me in groep drie helpen met het organiseren van spelletjes. Daarmee gaf ze me niet alleen vertrouwen, maar ook de kans zelf te ontdekken wat ik kon.
Voor mij betekent niets over ons, zonder ons niet dat professionals niets meer mogen onderzoeken of opschrijven. Hun kennis kan waardevol zijn. Maar maak een kind niet alleen onderwerp van een plan, maar deelnemer eraan. Vraag ook: wat gebeurde er volgens jou? Waarom deed je dat? Waar was je bang voor? Wat zou jou helpen en wat zou je graag willen leren?
Misschien was dat wel wat ik als kind het meest miste: niet nóg iemand die mijn gedrag verklaarde, maar iemand die nieuwsgierig was naar de logica erachter.
4.Juf Lily, Liesbeth en Luka maakten een groot verschil in jouw leven. Welke eigenschappen hadden zij gemeen waardoor jij je door hen wél gezien voelde?
Op hun eigen manier konden zij echt een anker voor me zijn. Wat hen verbond, was dat ze vragen stelden voordat ze oordeelden. Ze waren puur en oprecht op hun eigen manier. Niet dat ze alles goed vonden. Ze konden me aanspreken op mijn gedrag en tegelijk mij als persoon accepteren. Mijn autisme hoefde niet voortdurend geproblematiseerd te worden. Er waren dingen die ik nog moest leren, en dan zetten ze samen met mij de schouders eronder. Als ik vervolgens stappen zette, konden ze daar des te enthousiaster over zijn.
Juf Lily en Liesbeth probeerden me ieder op hun eigen manier wegwijs te maken in de maatschappij. Luka deed dat eigenlijk ook, hoewel zij mij niet formeel begeleidde en ik geen les van haar kreeg. Haar aanwezigheid maakte de schoolwereld voor mij veiliger. Onze gesprekjes, haar humor en de band die ontstond betekenden ontzettend veel voor me. Toen zij wegviel, wist ik al hoe belangrijk ze voor me was. Wat ik daarna pas ervoer, was hoeveel er mét haar verdween. Ik verlangde terug naar de tijd waarin ik school nog aankon, prettige spanning kon voelen en soms zelfs pure liefde. Ik was niet alleen haar kwijt, maar ook een deel van mezelf.
De schoolwereld werd voor mij daarna veel harder en enger. Toen ik volwassen was kon zij mij toevertrouwen waarom ze plotseling niet meer kon werken. Dat heeft de kloof tussen de Sarah van toen en de volwassen Sarah overbrugt.
Ze waren heel verschillende mensen en hadden verschillende rollen, maar misschien is dat juist wat hen verbond: ze probeerden niet eerst een ander kind van mij te maken voordat ze in mij konden geloven. Ze hielpen mij groeien vanuit wie ik al was.
5. In het boek schrijf je dat veel van jouw gedrag werd uitgelegd als ‘onaangepast’, terwijl er volgens jou een logische verklaring achter zat. Welke misvatting over autisme zou je het liefst vandaag nog uit de wereld helpen?
Een misvatting die ik graag uit de wereld zou helpen, is dat onze specifieke interesses vooral beperkt of doelloos zouden zijn. Voor mij, en ook voor veel andere autistische mensen, kunnen zulke interesses juist steun, houvast, zingeving en ontzettend veel vreugde geven.
In een van mijn handelingsplannen stond letterlijk als doel: ‘afkappen van ongewenst gedrag’. Daaronder viel ook het opgaan in mijn eigen belevingswereld. Terwijl die belevingswereld voor mij niet zomaar een verzameling vreemde gewoontes of interesses was. Het was ook een plek waar ik plezier, veiligheid en betekenis vond.
In mijn jongere jaren, totdat ik zestien jaar was heb ik ervaren hoe het is als mijn interesses er mogen zijn. Mijn vader ging bijvoorbeeld mee in mijn fantasiespel met dinosauriërs. Samen rekenden we af met de T-Rex, het grote roofdier. Later ging hij mee met mijn belangstelling voor ninja’s en Terminator 2, en leefde hij mee met mijn genegenheid voor Luka. Niet omdat hij al die interesses zelf deelde, maar omdat hij zag dat ze voor míj belangrijk waren. Daardoor werden mijn interesses geen muur tussen ons, maar juist een ingang voor contact.
Als je zulke interesses voortdurend probeert af te kappen, neem je daarom niet alleen gedrag weg. Je kunt iets raken wat iemand juist helpt om overeind te blijven. Voor mij voelt dat alsof je de wortels van een plant afsnijdt en vervolgens verwacht dat hij beter gaat groeien.
Je kunt het ook omdraaien. In plaats van te vragen: hoe krijgen we dit kind uit zijn eigen wereldje?, kun je soms vragen: mag ik er even bij komen? Een interesse kan juist een ingang zijn voor contact. Door nieuwsgierig te worden naar wat iemand bezighoudt, kun je elkaar ontmoeten en van daaruit misschien ook de brug naar de buitenwereld slaan.
In plaats van iets ontmoedigen, kun je ook kijken hoe iets een gezonde plek in het leven van een kind krijgt.
6. Tijdens het lezen valt op hoeveel kracht je hebt gehaald uit je eigen interesses en fascinaties. Zie je die fascinaties inmiddels als een vorm van veerkracht in plaats van iets wat vroeger vaak als ‘vreemd’ werd gezien?
Voor mij waren die fascinaties eigenlijk al een vorm van veerkracht voordat ik me daarvan bewust was. Ze gaven me plezier, houvast en iets om naar uit te kijken. Ik kon ergens helemaal in opgaan en daar nieuwe energie uit halen.
Ze maakten me ook minder afhankelijk van de aandacht van andere mensen. Natuurlijk had ik behoefte aan contact, vriendschap en liefde, maar ik kon ook een paar uur helemaal gelukkig zijn in mijn eigen wereld. Daar hoefde niet voortdurend een volwassene aan te pas te komen. Die eigen belevingswereld hielp me om het dagelijks leven aan te kunnen.
Juist daarom was het zo pijnlijk dat die interesses soms als vreemd, beperkt of zelfs ongewenst werden gezien. Iets wat van zichzelf een bron van veerkracht was, werd daardoor een kwetsbaarheid. Men wilde dat ik beter functioneerde, maar pakte tegelijkertijd een deel van de brandstof af die ik daarvoor nodig had.
Inmiddels kan ik veel beter benoemen wat die interesses voor mij deden. Niet iedere fascinatie hoeft nuttig te zijn of tot een bijzondere vaardigheid te leiden. Soms is het al ontzettend waardevol dat iets vreugde, rust en energie geeft. Voor mij waren mijn interesses niet iets wat naast het dagelijks leven bestond. Ze hielpen mij juist om dat dagelijks leven vol te houden.
7. Je stelt uiteindelijk: ‘Afwijkend is gewoon.’ Is dat vooral een boodschap aan mensen met autisme, of juist aan de maatschappij?
Beiden. Afwijkend is mijn gewoon. Wat voor een ander afwijkend lijkt, kan voor mij een gewone manier zijn om de wereld te ervaren of ergens mee om te gaan. Als kind en vooral als tiener heb ik lang de boodschap gekregen dat ik moest leren zo normaal mogelijk over te komen. Dat moest op een gegeven moment in bijna iedere sociale situatie. Daardoor ging ik steeds meer naar mezelf kijken door de ogen van anderen. Waar ik eerst een gezelligheidsdier was, werd ik nu doodsbang voor sociale momenten.
Aan mensen met autisme zou ik willen meegeven dat je niet eerst minder autistisch hoeft te worden om een volwaardig mens te zijn. Je mag onderzoeken wie je bent, waar je mogelijkheden liggen en welke ondersteuning je nodig hebt.
Tegelijk is het zeker een boodschap aan de maatschappij. We hebben nogal snel een beeld van wat normaal gedrag, normale ontwikkeling en een normaal leven zouden moeten zijn. Wie daarvan afwijkt, wordt gemakkelijk bekeken vanuit wat er niet goed gaat. Terwijl anders zijn ook kwaliteiten, andere perspectieven en onverwachte mogelijkheden met zich mee kan brengen.
Dat betekent voor mij niet dat we autisme moeten romantiseren. Ik heb ook ondersteuning nodig en sommige dingen zijn en blijven werkelijk moeilijk. Maar ondersteuning zou iemand moeten helpen om zijn eigen leven vorm te geven, niet om zo veel mogelijk op anderen te gaan lijken.
Uiteindelijk betekent afwijkend is gewoon voor mij dat er niet één juiste manier is om mens te zijn. Mijn gewoon hoeft niet hetzelfde te zijn als jouw gewoon — en daar mag ruimte voor zijn.
Voor mij betekent jezelf mogen zijn niet dat je van de ene op de andere dag je masker afzet en vervolgens overal je autistische zelf toont. Sommige mensen weten na jarenlang aanpassen niet eens meer goed wat bij henzelf hoort. Ik zie het eerder als een ontdekkingsreis, of als een ui die je laag voor laag afpelt. Je gaat onderzoeken: wat past werkelijk bij mij, wat heb ik aangeleerd en wat wil ik daarvan behouden? Soms kan het functioneel of veiliger zijn om bewust te maskeren. Het verschil is voor mij dat je je daarvan bewust bent en weet dat je het masker straks ook weer mag afzetten. Dat is iets anders dan jarenlang het gevoel hebben dat je voortdurend zo normaal mogelijk moet overkomen. Voor mij ging het uiteindelijk niet om een ander mens worden, maar om mezelf steeds meer terugvinden.
8. Je beschrijft pijnlijke ervaringen in zowel het reguliere als het speciale onderwijs. Als je vandaag één concrete verandering zou mogen doorvoeren in het onderwijs, welke zou dat zijn en waarom?
Wanneer een kind zich verzet tegen een volwassene die hem pijn doet, is probleemgedrag een veel te oppervlakkige beschrijving. Het kan een poging zijn zichzelf te beschermen.
Gedrag is niet alleen hoe een kind doet, maar vooral hoe hij probeert te overleven.
Als je te maken krijgt met moeilijk gedrag, probeer eerst te begrijpen waarom een kind iets doet.
Maak ruimte voor verschillende manieren van leren;
Niet alleen kijken naar gedrag, maar ook naar de oorzaak en naar de situatie.
Ik heb vaak meegemaakt dat er een kind uit zijn klas werd gehaald en in onze klas werd gezet om rustig te worden. Mijn leraar haalde de jongen dan op.
Zijn uitleg was dat het niet goed gaat tussen hem en de juf.
Dit lijkt op een relatieprobleem. Totdat ik ontdekte dat de juf hem mishandelde. Ze sleepte hem op een keer over de grond naar onze klas, in plaats van de leraar te vragen om hem op te komen halen. Hij huilde en schreeuwde in nood, worstelde en probeerde van zich af te schoppen.
Haar uitleg was dat hij haar in de klas een schop had gegeven.
Toen hij gekalmeerd was, ging ik bij hem zitten en vroeg ik hem wat er was gebeurd.
Timide begon hij te vertellen:
De juf vroeg hem iets en toen hij niet meteen antwoordde pakte zij hem bij zijn nek.
Hij deed het voor.
Toen, vertelde hij, had hij haar een schop gegeven.
Dat geeft een heel ander beeld. Hij probeerde zich te verweren tegen een juf die hem pijn deed.
“Bedankt dat je even de tijd voor iemand nam”, zei mijn leraar naderhand. Dat was een van de weinige keren dat hij mijn betrokkenheid op kinderen erkende.
Zowel mij als de jongen bood hij gul een kroket aan.
We lieten het ons goed smaken.
Sociale veiligheid en onveiligheid kan soms moeilijk van buitenaf te beoordelen zijn: een kind en een leerkracht kunnen botsen, gebeurtenissen verschillend beleven, een klas kan een moeilijke dynamiek hebben.
Dat fysiek geweld tegen kinderen niet aan het licht kwam, choqueert me wel. Net als dat leerkrachten elkaar hier actief in steunden.
Ik denk daarom niet aan weer een onderwijshervorming, maar het huidige onderwijs eens onder de loep nemen. Zowel de opzet als de praktijk.
Natuurlijk hoeft er niet altijd sprake te zijn van mishandeling als een kind zich moeilijk gedraagt. We hoeven niet bij voorbaat van het ergste uit te gaan. Hij kan het op een andere manier moeilijk hebben. Overprikkeling, verdriet, vermoeidheid.
Wat mij betreft mag er meer onafhankelijk toezicht zijn op de manier waarop kinderen op scholen worden behandeld. Alleen een vierogenbeleid lijkt mij niet voldoende. Ik heb meegemaakt dat een kind ruw werd behandeld terwijl een andere medewerker erbij stond. Die greep niet in, maar steunde haar collega juist. Twee paar ogen helpen weinig als mensen binnen een team elkaars gedrag normaal gaan vinden.
Daarom zou ik graag zien dat er ook mensen van buiten de school meekijken, bijvoorbeeld door onafhankelijke observaties of externe deskundigen. Videotraining kan helpen om terug te kijken wat er in een situatie gebeurde, wanneer de spanning opliep en of een medewerker anders had kunnen handelen.
Minstens zo belangrijk vind ik dat kinderen zelf gehoord worden. Bij een incident zou niet alleen het verslag van de medewerker leidend moeten zijn. Vraag het kind wat er is gebeurd en neem dat verhaal serieus, ook wanneer een kind door autisme of een andere diagnose anders communiceert. Dat geldt ook voor kinderen die getuige zijn, zoals het moment dat ik zag dat een juf de eerder genoemde jongen over de grond sleepte.
Kinderen moeten zoiets wel veilig kunnen vertellen, zonder bang te hoeven zijn voor gevolgen. Daarom vind ik een onafhankelijke vertrouwenspersoon belangrijk, bij wie zowel kinderen als ouders rechtstreeks terechtkunnen. Zo iemand moet werkelijk bereikbaar zijn en voldoende afstand hebben tot de school.
Ook fysiek ingrijpen zou goed geregistreerd moeten worden: wat gebeurde er, waarom werd er ingegrepen, wie waren erbij en wat vertelt het kind zelf? Zeker bij herhaalde incidenten zou daar onafhankelijk naar gekeken moeten worden.
Ik pretendeer niet dat ik hiermee het ideale toezichtssysteem heb bedacht. Maar veiligheid vraagt volgens mij meer dan protocollen op papier. Kinderen moeten kunnen vertellen wat hunzelf of een ander is overkomen, ouders moeten ergens onafhankelijk terechtkunnen en medewerkers moeten weten dat er ook van buiten hun eigen team naar hun handelen gekeken kan worden.
Meer toezicht hoeft voor mij trouwens niet alleen te betekenen dat wordt gekeken naar wat er misgaat. Het kan ook zichtbaar maken welke leerkrachten juist een veilige omgeving creëren en goed aansluiten bij hun leerlingen. Ook dat mag gezien en gewaardeerd worden.
Het voorkomt een beetje het beeld van een externe deskundige die met een notitieblok achter in de klas uitsluitend vinkjes zet bij overtredingen. 😉 Een goede observator kan ook opmerken: kijk eens wat deze leerkracht hier doet. Een leerling raakt gespannen, zij merkt het op, stelt één vraag en daarna zakt de spanning.
9. Veel lezers zonder autisme zullen zich herkennen in thema’s als buitengesloten worden, niet begrepen worden of het gevoel hebben te moeten voldoen aan verwachtingen. Hoop je met jouw boek vooral begrip voor autisme te creëren, of ook een bredere discussie over hoe we met kinderen omgaan?
Natuurlijk speelt autisme een belangrijke rol in mijn boek. Het bepaalt mede hoe ik situaties beleefde en hoe anderen mijn gedrag interpreteerden. Maar ik vraag me achteraf ook af hoeveel van mijn levensloop werkelijk door het autisme zelf is bepaald. Daar heb ik geen sluitend antwoord op.
Als mijn leven zonder autisme ongeveer hetzelfde was verlopen, had ik nog steeds een verhaal te vertellen gehad. Over vriendschap en verlies, over volwassenen die het beste met een kind voor kunnen hebben en het toch verkeerd kunnen begrijpen, over buitensluiting, vertrouwen en de behoefte om gezien te worden.
Daarom hoop ik niet alleen dat mensen na het lezen meer over autisme begrijpen. Ik hoop vooral dat ze nieuwsgieriger worden naar het verhaal achter iemands gedrag. Bij een kind met autisme, maar eigenlijk bij ieder kind.
Autisme doet ertoe, maar het vertelt niet het hele verhaal. Ik vind de vraag wat er achter iemands gedrag en beleving schuilgaat uiteindelijk interessanter dan alleen de vraag of iemand wel of geen autisme heeft.
In mijn geval maakte autisme deel uit van mijn beleving, maar ook de reacties van andere mensen, mijn relaties, de omstandigheden waarin ik terechtkwam en de kansen die ik wel of niet kreeg, hebben mijn leven gevormd. Hoe groot het aandeel van ieder daarvan precies is geweest, kan ik achteraf niet uitrekenen.
Autisme is wel mijn directe doelgroep, maar ik hoop dat het boek ook mensen aanspreekt die geïnteresseerd zijn in de belevingswereld van kinderen. Veel thema’s zijn niet exclusief autistisch: vriendschap, buitengesloten worden, verwachtingen van volwassenen, je veilig of juist onveilig voelen bij een leerkracht en de behoefte om serieus genomen te worden.
Tegelijk wil ik autisme ook niet wegpoetsen. Het heeft invloed gehad op hoe ik sociale situaties beleefde en erop reageerde. Hoe anderen mijn gedrag interpreteerden. Wat ik achteraf moeilijker vind te beantwoorden, is hoeveel van mijn levensloop door het autisme zelf is bepaald en hoeveel door de reacties van mijn omgeving, de omstandigheden en de mensen die ik onderweg tegenkwam.
Uiteindelijk interesseert het verhaal achter gedrag mij meer dan alleen het etiket. Waarom doet een kind wat het doet? Wat beleeft het zelf? Daar kan herkenning ontstaan, ook bij iemand zonder autisme.
10. Als de jonge Sarah van toen vandaag naast je zou zitten met jouw boek in haar handen, wat zou je haar willen zeggen?
Als de jonge Sarah naast me zou zitten, zou ik haar niet proberen uit te leggen hoe haar leven gaat verlopen. Ik zou haar vooral willen zeggen dat er een toekomst gloort, ook al kan ze die zelf nog niet zien. En ik zou vooral zeggen: we laten je niet alleen.
Dat zijn misschien wel de belangrijkste woorden. Vrienden hebben mij later, toen ik er zo doorheen zat dat ik zelf geen toekomst meer zag, iets vergelijkbaars geschreven. Zij konden die toekomst ook niet voor mij oplossen of voorspellen. Maar ze konden wel naast me blijven staan en erop vertrouwen dat er een weg was toen ik dat zelf niet meer kon.
Misschien zou ik haar ook het boek laten vasthouden en zeggen: Kijk, jouw verhaal houdt hier niet op. Op een dag zul je zelf woorden geven aan wat je nu nog niet kunt overzien.
11. Tijdens het schrijven van Afwijkend en toch zo gewoon heb je veel herinneringen opnieuw beleefd. Heeft het schrijven je kijk op je eigen verleden veranderd?
Nee, het schrijven heeft mijn kijk op mijn verleden niet wezenlijk veranderd. Het heeft mijn verleden wel scherper in beeld gebracht en verdiept. Sommige dingen die ik toen al ervoer, kan ik nu beter plaatsen.
Dat geldt bijvoorbeeld voor mijn begeleiding door Liesbeth. Zij heeft veel voor mij betekend en heeft mij later enorm geholpen bij het zelfstandig leren reizen. Tegelijk waren er ook donkere kanten. Die merkte ik destijds al, maar ik klampte me aan iedere mogelijkheid vast om verder te komen. Daardoor kon ik niet altijd overzien wat er precies gebeurde.
Achteraf vind ik bijvoorbeeld haar uitspraak ‘Wie zwijgt stemt toe’ pijnlijk. Mijn begeleiding was grotendeels stopgezet, een belangrijk voorbereidend gesprek was niet doorgegaan en tijdens het gesprek zelf klapte ik dicht. Om een stevig standpunt in te kunnen nemen, moet je ten minste overzicht hebben op de situatie.
Schrijven heeft mijn geschiedenis dus niet herschreven. Het heeft haar beter in kaart gebracht. Ik zie meer verbanden, tegenstrijdigheden en nuances dan toen ik er middenin zat.
12. Je schrijft open over moeilijke periodes, maar het boek blijft hoopvol. Was dat vanaf het begin een bewuste keuze?
Ja, dat was een bewuste keuze. Niet omdat ik de moeilijke periodes wilde verzachten of achteraf mooier wilde maken dan ze waren. Ik hoef de harde werkelijkheid niet weg te poetsen om tegelijkertijd uit te gaan van iemands mogelijkheden.
Voor mij betekent hoop ook niet dat je kunt beloven dat alles goed komt. Je leven is nog niet af. Alleen daarom al is er een toekomst, ook wanneer je die op dat moment zelf niet kunt zien.
Dat is iets wat vrienden mij op mijn donkerste periodes hebben meegegeven. Zij konden niet voorspellen hoe mijn leven verder zou lopen en ze konden mijn problemen niet voor mij oplossen. Maar ze bleven naast me staan en hielden het vertrouwen dat er een weg voor mij was, ook toen ik die zelf niet meer zag.
Dat gevoel wilde ik ook in het boek laten zitten. Niet als een perfect einde, maar als een open belofte: er is een weg, ook als je nog niet kunt zien waar die naartoe leidt.
Previous Post


