Karel, Károly – Lieke Kézér (2)

Karel, Károly is geschreven door Lieke Kézér en uitgeven door De Arbeiderspers. Het is een biografisch roman over haar Hongaarse opa. Deze recensie is geschreven door Sarah Morton.
Al eerder verscheen er een recensie door Marga van der Vet op deze website over deze prachtige roman:
Karel, Károly –het verhaal:
Het boek begint een paar jaar na de Eerste Wereldoorlog. In Hongarije heerst armoede. Er is eten, maar nooit genoeg. Vooral de kinderen lijden honger, wat ze niet onder stoelen of banken steken.
Dan is er mogelijkheid om een van de kinderen naar Nederland te sturen, waar hij aan kan sterken.
Károly is net hersteld van een voedselvergiftiging. Dat wordt als reden genoemd om juist hem op kindertransport te laten gaan. Hij wil niet weg, voor hem voelt het niet als gered maar als verbannen worden. Op het kindertransport ontmoet hij een meisje Tünde van wie het gezicht licht lijkt te geven. Ze reist met haar jongere zusje. Tünde en haar zusje is beloofd dat ze samen zouden blijven, maar eenmaal in de aankomsthal blijkt het helemaal mis. Ze worden ondergebracht bij verschillende gezinnen.
Op de boerderij in Nederland, waar Károlyl een paar maanden zou aansterken, voelt hij zich relatief snel thuis. Het is een ‘mannenhuishouden’, waar Antonie, zijn pleegvader woont met zijn broers. In het begin mist hij zijn familie, vooral zijn moeder intens, maar dat duurt niet lang. Hij raakt bevriend met een andere jongen. Die is veertien jaar en wordt zijn beste vriend. De dieren zelf blijven figuranten, maar je voelt toch de liefde voor de dieren en dat de jongens hun werk met plezier doen. Naast voor de dieren zorgen hebben de jongens een andere geliefde bezigheid: Eten, eten en eten.
Waar de honger eerst sluimerend aanwezig is, lijkt die nu nauwelijks te stillen. Juist nu er genoeg eten is voel je wat de honger met hen heeft gedaan. Zijn goede vriend voelt er ook weinig voor om terug te gaan naar huis.
“Nooit meer honger”, is zijn devies.
Tünde
In de kerk komt Karel, zo als hij inmiddels wordt genoemd, Tünde weer tegen. Tijd om te praten is er nauwelijks, mevrouw trekt Tünde aan haar arm mee. Waar er voor haar zusje liefdevol gezorgd wordt, blijft Tünde spichtig en lijkt haar gezondheid achteruit te gaan. Ze ontmoeten elkaar stiekem en ze heeft steeds maar enkele minuten de tijd. Ze moet hard werken en laat doorschemeren dat ze hier niet genoeg eten krijgt. Het contrast met Karel, die juist zijn plek vindt in Nederland, maakt haar situatie des te schrijnender. Tegelijk wil ze niet dat er werk van gemaakt wordt, als haar pleegouders erachter komen dat ze weg wil…
Van alle personages grijpt Tünde me misschien nog wel het meest aan. Ook zij laat weinig los, maar haar nood is voelbaar in bijna iedere zin. Het wordt pijnlijk duidelijk dat niet iedere pleegouder een kind opvangt met het doel waarvoor deze kinderen naar Nederland zijn gehaald.
Antonie
Antonie leer ik kennen als een eenvoudig, eerlijk en vriendelijk iemand. Hij heeft Karel opgevangen als zijn eigen zoon. Antonie worstelt intussen met zijn eigen gevoelens en zijn plek in het familiebedrijf.
Daar ontstaat een mooie parallel met Karel: Ook hij moet onvrijwillig verhuizen, als een van zijn broers een vriendin krijgt, die op een hartelijke manier al snel de dienst uit gaat maken.
Familie: waar ben je thuis?
Hoewel Karel onvrijwillig naar Nederland is gegaan, voelt hij geen behoefte om terug te keren.
“Ik heb het goed hier”.
Veel meer wil hij er niet over kwijt, ook niet vele jaren later tegen zijn vrouw. De enige keer dat hij zijn ouders en broers en zussen terugziet, is als hij haar Hongarije moet voor zijn geboorteakte. Die heeft hij nodig omdat hij met Edie gaat trouwen.
Zijn reis, waarbij Antonie hem vergezeld, is voor mij een van de mooiste en meeslependste stukken. Ze komen dichter bij elkaar, hebben echte gesprekken waar Karel eerst niet zo een prater is en maken zelfs grapjes. Van zijn ouders en broers en zussen voelt hij juist afstand.
“Ik denk dat er geen dag voorbij is gegaan zonder dat we aan je hebben gedacht. Je bent voor ons altijd een lid van de familie gebleven.”
Zachtjes zegt Karel. “Ik ben hier een gast. Een gast voor wie jullie je nette kleren aantrekken, voor wie je het goede service uit de kast haalt.”
“We proberen het juiste te doen, gastvrij te zijn, je je thuis te laten voelen.”
Hij opende zijn mond en sloot hem weer, hij had al teveel gezegd, dit was een gesprek wat hij niet wilde voeren. Hij zweeg, al sinds zijn elfde. Zijn gedachten over zijn familie, het land waar hij vandaan kwam, alles wat verloren was gegaan, hij had zijn gevoelens gearchiveerd en opgeborgen. Wat aanvankelijk een verkrampt stilzwijgen is geweest, is inmiddels een tweede natuur geworden.
Verlies
Zijn jongste broer Gyula is er niet bij. Als hij naar hem vraagt, hoort hij dat die is overleden, al jaren geleden.Het is duidelijk dat hij er niet meer bij hoort. Zelfs in dit verlies lieten ze hem niet delen.
Dat vond ik nog pijnlijker dan de afstand bij zijn aankomst.
Karel trouwt met Edie en krijgt een groot gezin. Hij is een toegewijde, liefhebbende vader. Mooi vind ik hoe zijn eigen jeugd hierin doorwerkt: Hij weet hoe het voelt om uit je gezin te worden gebannen en wil dat zijn kinderen zich geliefd en deel van het gezin voelen.
Dat Tünde veel voor hem heeft betekent, blijkt als hij zijn paard naar haar vernoemt.
Onderduikers
Tijdens de tweede wereldoorlog vangt Karel onderduikers op, een gezin met volwassen kinderen. De buurman zou heulen met de vijand. Helemaal zeker is het niet, maar hij maakt soms pijnlijke toespelingen. Hij vraagt Karel naar zijn ‘gasten’.
Dat geeft onrust en onzekerheid, maar bloedstollend spannend wordt het niet. Dat gebeurt pas als er twee Duitse militairen op zijn erf komen. Ze hebben spullen van de onderduikers gevonden.
Hoe dit afloopt ga ik niet spoileren.
Karel, Karóly – mijn leeservaring
Citaat waar het boek poëtisch wordt.
Karel bevoelde zijn broek, hij had zin in een sigaret maar zijn zakken waren leeg.
Daar kwam de dag, een dieproze aan de horizon, dat zich opwerkte aan de hemel en toen over het land viel, alsof de horizon overstroomde. De mannen keken er zwijgend naar, ze zaten nog in de koele schaduw.
Deze dans tussen dag en nacht, poëzie en nuchterheid (De roze hemel en Karel die zin heeft in een sigaret), is kenmerkend voor dit boek.
Het taalgebruik van de auteur is sober, vaak functioneel, soms op het afstandelijke af. Ik mis soms de belevingswereld van een elfjarige. Tussen de regels door voel ik wel wat er in hem leeft.
Gaandeweg wordt de stijl beeldender en soms zelfs poëtisch, alsof het verhaal dan echt tot leven komt en kan ademen. Een verhaal dat aandacht verdient en dat me heeft aangegrepen, al hadden veel passages meeslepender gekund.
Previous Post


